BAO YAO FEI

28. kunsthistoricus. centrum

De Chinees die kon vliegen 

 

Bao Yao was voor zijn klasgenootjes de Chinees die kon vliegen. Hij was tot voor kort namelijk een van de beste Wushu beoefenaars van de wereld. Een topsporter. Maar wel een topsporter die uiteindelijk op de kunstacademie belandde. Bao Yao was altijd op zoek naar de balans tussen zijn heritage en het moderne westen. Op een gegeven moment gooide hij het roer om. Nu is hij assistent-conservator bij het Gemeentemuseum Den Haag.  

 

september 2018   •   Gemeentemuseum, Den haag
Fotografie: Mark David   •  Tekst: Joeri Gordijn

TOEN

 

“Ik werd in mijn eentje op een vliegtuig gezet naar China, omdat ik een zomer lang moest gaan trainen. Ik was een jaar of acht en dit is mijn meest heftige herinnering van vroeger, omdat het misschien ook wel een soort van een trauma is geweest. Ik kom uit een familie die Wushu doet, een Chinese vechtkunst die al driehonderd jaar door onze familie wordt beoefend. De zomervakantie was net een dag begonnen en ik werd direct op Schiphol gedropt. Het was van: ‘oké, tot over drie maanden.’ Dat heeft mij heel erg gevormd tot wie ik ben.”  

 

 

“En dan zit je in China, waar het veertig graden is. Je wordt opgehaald door een of andere man, kent niemand en traint zeven uur per dag. Ik dacht: 'What the fuck is dit?' Maar ik neem dat mijn ouders niet kwalijk. Uiteindelijk ben ik toch topsporter geworden. Ik was dertien en ik had een salaris, wie kan dat zeggen? Elke maand: bam. Naast het financiële voordeel dat er toen was, heb ik nu vooral discipline en doorzettingsvermogen. Als je een doel hebt, ga je er gewoon voor. Het maakt niet uit wat er in de weg staat."

“Voor mijn klasgenoten was het overigens ook logisch, het klopte: hij is Chinees dus hij doet Kungfu. Zo was het ook op het Segbroek College. 'Oh, dat is die Chinees die kan vliegen.’ ”

“Dat ik uiteindelijk de creatieve kant op ben gegaan kwam misschien wel door de Wushu. Wushu is heel erg creatief: je leert je lichaam gebruiken en dat naar je eigen hand te zetten. We komen daarnaast uit een familie van kunstliefhebbers, ons huis hangt dan ook vol Aziatische kunst. Ik dacht vroeger dat het bij iedereen thuis zo was, maar dat was natuurlijk niet zo.”

 

 

“De grap is dat ik die kunst toen ik klein was heel lelijk vond. Ik denk dat ik het zelfs tot en met de kunstacademie lelijk vond. Ik was heel erg tegen de gevestigde orde, tegen mijn heritage. Niet dat ik het negatief zag, maar meer van ‘ok, dit is wat ik was, maar ik hoef dat niet mee te nemen. Ik wil nu gewoon kijken: wie ben ik en waar wil ik naartoe?’. Aziatische kunst is over het algemeen met veel te veel poespas en decor, allemaal verhalen. In het westen heb je juist veel minimal artists, colorfields Daarvan dacht ik: 'ah, dit werk is vet! Dit is eigenlijk gewoon één vak met kleur en dan is het klaar.' Geen moeilijk folkloristisch verhaal.”

“Mijn ouders zijn heel traditioneel, ze zijn begin jaren ‘80 naar Nederland gekomen, mijn broer is nog geboren in China. Maar in China mag je maar één kind, dus in Nederland kwam ik erbij en daarna nog twee zusjes. Als ik mij vergelijk met mijn Chinese counterparts - mensen van mijn generatie, maar dan allemaal enig kind - voel ik me daar helemaal niet mee verbonden. Ze zijn super verwend, echt prinsjes en prinsesjes. Ze krijgen alles wat ze willen, het lijkt alsof ze nergens voor hoeven te werken. Ze hebben een gek ideaal en zelfbeeld. Mijn ouders voelen zich ook niet verbonden met het China van nu. Ze zien daarin niets van zichzelf terug, maar zij houden zich weer heel erg vast aan de klassieke Chinese manieren. Hoewel mijn ouders laatst wel een tandem hebben gekocht! Dat zegt ook wel weer wat.”

“Wushu draait erg om traditie, het is heel verhalend, alles gaat over de origine. Ik ben uiteindelijk meervoudig Europees kampioen Wushu geweest en was mee tijdens het demonstratie onderdeel op de Olympische Spelen. Ik zat in de top acht van de wereld. Maar op een gegeven moment was het klaar. Het was rond mijn afstuderen op de academie. Ik merkte tijdens mijn afstuderen dat Wushu voor mij als topsport afgesloten kon worden. Ik vond dat ik verder moest.”

"Geen moeilijk folkloristisch verhaal,,

“Waarom ik naar de kunstacademie ging? Ik merkte op de middelbare school al dat ik er anders uitzag en een andere smaak had. Als profiel had ik Natuur & Techniek, maar mijn keuzevak was tekenen. Ik vond tekenen gewoon cool. Op een gegeven moment dacht ik: 'misschien moet ik wat creatiefs doen.' Toen ben ik op de academie gaan kijken. Ik vond het heel bizar hoe mensen zichzelf daar een hele identiteit konden geven door middel van kleding. Daarmee toonden ze hoe zij zich voelden en hoe zij zichzelf zagen. Kleding is het eerste omhulsel om ons heen. Zonder kleding zijn we naakt. Het is de eerste beschermlaag."

"Uiteindelijk heb ik ook een meeloopdag bij de opleiding Architectuur gedaan. Ik dacht namelijk: 'ik doe vwo dus misschien moet ik toch maar een WO studie doen.'  Zeker met pushende ouders die dachten dat ik gewoon ingenieur of dokter zou worden.“

“Maar niet dus. Ik kwam op de academie en ik dacht meteen: ‘ja, dit is het.’ Ik ga niet naar de TU want ik vind al die mensen helemaal kut. Dus. Naar de KABK. Eerst heb ik het niet eens aan mijn ouders verteld. Ik vertelde het eerst aan mijn broer. Hij zei: 'probeer nu gewoon je toelating te halen en dan regel ik het wel met pa en ma.' Mijn broer wilde ook iets creatiefs doen maar dat mocht dat mocht niet, hij heeft van alles gestudeerd maar niets afgemaakt. En dus zei mijn broer tegen mijn ouders: "als jullie pushen is dat ook geen garantie dat hij iets afmaakt.” Toen mocht ik naar de Academie .”


"Kleding is het eerste omhulsel, het is direct,

“Op de KABK was ik ook nog de Chinees die kon vliegen. Maar dan wel degene die tegelijkertijd ook de kunstacademie deed. Veel docenten begrepen de combinatie niet: een topsporter op de kunstacademie. Dat hadden ze nog niet vaak meegemaakt."

"Ik kan me nog heel goed herinneren - ik zat in het eerste jaar - dat we een jurk moesten ontwerpen. Bij mij werd het meer een soort van blokje. De docent zei: 'nee, we doen niet aan minimalisme in het eerste jaar. Je mag jezelf geen stijl aanmeten: je moet alles proberen voor je een stijl hebt.' Uiteindelijk kwamen die woorden altijd weer terug. Maar mijn werk was altijd klinisch, minimalistisch, sereen . Tijdens het afstuderen ging het ook op die manier. We waren met acht afstudeerders, ik was de enige die alles gewoon strak had, zonder poespas. Heel ingetogen.”

 

“Toen ik was afgestudeerd kreeg ik de beurs Toptalent voor de creatieve industrie. Ik begon mijn eigen label en tegelijkertijd werkte ik voor A Cut Above (een streetwear label) en Frankies (een kinderkledingmerk). Ik deed op freelancebasis ontwerp-klussen. Ik had stagiaires over de vloer. Ik kon lekker producties draaien, lekker ontwerpen, verkopen: super leuk allemaal. Maar op een gegeven moment dacht ik: 'waar the fuck ben ik mee bezig?' Is dit het? Is dit het echt? Dat was eind 2015. Ik was er klaar mee, werd misselijk van de hele mode-industrie. Het stond me tegen dat het allemaal zo snel moest, dat mensen dingen moesten kopen en weggooien. De consumptiedrang. Toen besloot ik: oké, dit is het niet echt.”

"Mensen om mij heen, die mij wat beter kenden, zagen mij vanaf dat moment veranderen. 'Je bent meer open, je bent makkelijker in de omgang, niet meer zo afhankelijk', zeiden ze. Voor die tijd vonden mensen mij een soort van arrogant. Terwijl ik niet per se arrogant wás. Wel had ik een muur om mij heen gebouwd."

"Begin 2016 had ik echt een tipping point. Op een dag liep ik door de stad, het regende super hard. Ik was aan het scrollen op Facebook - ik was helemaal doorweekt - en opeens zag ik die vacature van het Gemeente Museum ."

"Ik had bij mijn label nog steeds twee stagiaires rondlopen, maar ik dacht: ‘dit is eigenlijk wel iets dat ik zou willen doen.' Uiteindelijk heb ik gewoon gebeld. Zo van: 'Hé. ik ben er niet voor opgeleid, maar het lijkt me wel heel tof.' Stuur je CV en je sollicitatiebrief maar op, zeiden ze, en dan zien we wel. Niet veel later kreeg ik te horen dat ik het was geworden."

"Mijn ouders waren daarover heel erg blij en trots. Ik had toch op een of andere manier terug gegrepen naar mijn heritage. Ik ben nu collectiemedewerker voor toegepaste kunst en oude toegepaste kunst. Dat betekent: zilver, glas, keramiek, meubels en natuurlijk… porselein. Ineens is het cirkeltje rond. Mijn ouders hebben mij dus tóch iets in het hoofd gepland. Ik heb veel interesse en gevoel voor kunst. Dat het een ding is uit mijn heritage, dat erin gepropt is toen ik jong was, speelt daarin zeker een rol."


“En ineens is dus het cirkeltje rond.,,

NU

 

“Ik werk vier dagen bij het Gemeentemuseum, daarnaast studeer ik Kunstgeschiedenis in Leiden. Ik ben in 2016 bij het Gemeentemuseum begonnen, na een paar maanden dacht ik: ‘super leuk allemaal, maar als ik hierin verder wil komen, moet ik wel studeren.' Je kunt niet met enkel een hbo-bacheloropleiding een kunsthistoricus zijn."

"Nu ben ik bezig met mijn pre-master, als het goed is heb ik over anderhalf jaar mijn master afgerond. Ik werk maandag tot en met donderdag en tussendoor ga ik dus naar de universiteit. In het museum zorg ik voor de objecten, ik assisteer de conservator met het samenstellen van tentoonstellingen, met vragen die zij heeft en dingen die ze nodig heeft. In september is bijvoorbeeld de tentoonstelling 
Glans en Geluk van start gegaan over Islamitische kunst in Nederland. Dat is super interessant. Ik zorg voor objecten, help met tentoonstellingen opbouwen en soms breng ik objecten naar andere musea.”

“Ik vraag me af of de conservatieve stempel van Den Haag er ooit nog af komt. De stad van ambtenaren en diplomatie. Ouwe vrouwtjes op het Noordeinde, gekleed in Chanel. Ik weet niet of dat ooit anders wordt. Het heeft zijn charme, maar het zou ook wel leuk zijn als we dat een beetje van ons af zouden kunnen schudden. In Rotterdam kan alles, daar wordt ieder idee uitgewerkt. In Den Haag hoor je toch nog vaak 'nee dat kan niet.'"

"In China is nu alles anders. Zeker ook in de grote steden als Shanghai. Die zijn meer verwesterd dan de steden hier. Je hebt daar alles, je kan daar alles, het is misschien zelfs vrijer dan hier. Wij hebben een heel ander beeld, maar die kids doen daar écht helemaal hun eigen ding
. Je hebt underground feesten, hele brede lanen, met allemaal losstaande villa’s en daar tussen door heb je dan opeens het leukste boekenwinkeltje. Alles is mogelijk, misschien wel omdat het zo massaal is dat niemand er meer naar omkijkt…. maar de charme is er dan wel snel van af.” .

“in Den Haag hoor je toch nog vaak, nee dat kan niet,,

STRAKS

 

“Ik heb wel echt een bron geraakt op dit moment. Ik ben weer gaan studeren, over anderhalf jaar ben ik daar mee klaar en ben ik kunsthistoricus. Ik zie het wel voor me om daarna conservator te zijn. Verhalen te vertellen naar aanleiding van objecten. Dit (drie biertjes, sleutels en wat viltjes, -red.) hebben wij hier nu samen staan en dit vertelt nu al heel veel over onze avond. Maar als je hier vierhonderd jaar later op terug kijkt, heb je een heel ander verhaal. 'Wat is dit? Sleutels? En is dat plastic?' Dat vind ik gewoon te gek.”

 

“Ik denk dat het vlammetje 'mode' bij mij misschien wel helemaal gedoofd is. De naaimachine blijft zeker in huis staan, maar alleen maar om voor mezelf een broek te maken. Niet meer voor vreemden.”

 

“Hoe ik mijn eigen kinderen ga opvoeden weet ik nog niet. Bij de Chinese opvoeding gaat het om discipline. Je leert dat als je een doel hebt, je dat gewoon moet bereiken. Je moet van A naar B gaan. Bij de westerse opvoeding liggen regeltjes juist veel minder vast. Kinderen mogen spelen en ontdekken. Je leert dat je soms juist geen fuck hoeft te geven. Die twee culturen blijven altijd een clash en dat is moeilijk.”

 

Copied!